Test jouw kennis over de motorische ontwikkeling van peuters!

Tijdens de peuterjaren (1–3 jaar) maken kinderen een snelle groei door: ze verwerven nieuwe bewegingen, verfijnen hun vaardigheden en verkennen hun omgeving steeds zelfstandiger. Motorische ontwikkeling speelt daarbij een belangrijke rol in hoe peuters de wereld ontdekken, leren en opgroeien. In deze quiz test je jouw kennis en ontdek je welke inzichten verrassend of nieuw kunnen zijn. Doe mee en kom te weten wat jij al weet over de motorische ontwikkeling van peuters!

Stelling 1

Motorische ontwikkeling gaat over hoeveel peuters (1-3 jaar) bewegen doorheen de dag.

Motorische ontwikkeling gaat niet over hoeveel peuters bewegen, maar over hoe goed peuters bewegen. Het omschrijft het proces waarbij we motorische vaardigheden verwerven: kortom welke vaardigheden we kunnen inzetten om een taak tot een goed eind te brengen. Het gaat dus om de kwaliteit van bewegen: hoe gecontroleerd, doelgericht en precies iemand beweegt. Denk maar aan een peuter die zelfstandig wil drinken: dat gaat in het begin vaak gepaard met morsen. Een volwassene zal dit meestal vlot doen, met één hand en zelfs zonder kijken of nadenken. Die vaardigheid hebben we dan als het ware ‘verworven’.
Quiz1.png

Stelling 2

Een loopstoeltje of “baby walker" kan het leren stappen vertragen.

Onderzoek toont aan dat babywalkers het leren stappen niet versnellen, maar net kunnen vertragen. Walkers nemen het werk deels over: de romp- en beenspieren moeten minder tegen de zwaartekracht werken, waardoor kinderen minder ervaring op doen in essentiële basisvaardigheden zoals kruipen, optrekken en balanceren. Wil je peuters ondersteunen? Gebruik dan alleen stabiele, zware voorwerpen, zoals een stoel of een duwbaar loopwagentje (zonder zitje), of laat hen oefenen in een veilige omgeving met voldoende vloertijd.
Quiz2.jpg

Stelling 3

Als je verder van een peuter staat om een bal te gooien, wordt het vangen voor de peuter (1-3 jaar) gemakkelijker.

Hoe verder je van een peuter staat, hoe sneller en harder de bal aankomt. Voor peuters, die nog volop hun oog-handcoördinatie en timing aan het ontwikkelen zijn, maakt dit het vangen net moeilijker. Je staat daarom best wat dichterbij of vervangt de bal door een ballon of strandbal. Die zijn groter en ook trager, waardoor de oefening gemakkelijker wordt!
Quiz3.png

Stelling 4

De ontwikkeling van FIJNE motorische vaardigheden staat los van de ontwikkeling van GROVE motorische vaardigheden.

Fijne en grove motoriek ontwikkelen niet los van elkaar, maar bouwen verder op dezelfde basis: lichaamscontrole, stabiliteit en coördinatie. Een goede grove motorische basis (balans, rompstabiliteit, schoudergordelsterkte) ondersteunt de ontwikkeling van fijne motoriek. Dit komt omdat stabiliteit van romp en schouders noodzakelijk is om de handen doelgericht te gebruiken. Activiteiten zoals klimmen, kruipen, rollen én spelen met kleine voorwerpen versterken dus samen de motorische ontwikkeling.
Quiz4.png

Stelling 5

Als een peuter (1-3 jaar) geen voorkeurshand toont (linkshandig of rechtshandig), is dat een signaal van een motorisch probleem.

Het is heel normaal dat peuters (1–3 jaar) nog géén duidelijke handvoorkeur tonen. Bij de meeste kinderen ontwikkelt handvoorkeur zich pas rond de lagere schoolleeftijd, al kunnen sommige kinderen vroeger al wat voorkeur laten zien. Variatie hoort erbij en is geen teken van een motorisch probleem. Stimuleer vooral activiteiten waarbij beide handen samenwerken: dopjes openen, knopen dichtmaken, gieten, tekenen… Zo ontdekt een kind vanzelf wanneer het welke hand gebruikt, op zijn eigen tempo.
Quiz5.jpg