Met vallen en opstaan. Waarom de risicocompetentie van baby’s en peuters ertoe doet.
Vrij bewegen is belangrijk én risicovol
Ken je een baby of peuter? Dan zie je het vast voor je. De inspanning wanneer je baby rechtop probeert te blijven zitten. De knikkende knietjes wanneer een peuter voor het eerst rechtstaat zonder steun. De wankele beentjes bij de eerste stapjes. De verwondering - of de schrik - in die oogjes. De durf, het doorzettingsvermogen en de creativiteit om zo’n onderneming tot een goed einde te brengen. En dan die twinkelende oogjes wanneer het gelukt is.
Baby’s en peuters ontwikkelen razendsnel. Dat merk je heel sterk op vlak van motoriek: de kwaliteit van bewegen. Op enkele jaren tijd gaat een kindje van een liggend wezentje naar een rondrennende tornado. Omrollen, zitten, zichzelf optrekken, zelfstandig rechtstaan, stappen, lopen, springen. Elke nieuwe fase brengt nieuwe mogelijkheden mee. En ook specifieke fysieke risico’s.
Van ‘zo veilig als mogelijk’…
Misschien herken je deze situatie. Je ziet een peuter ergens opklimmen en je eerste reflex is: ingrijpen. Je wil beschermen, en dat is heel logisch. Peuters hebben minder levenservaring dan wij. Ze zijn minder in staat om situaties te overzien. Ze wennen volop aan hun continu groeiende lichaam. En de wereld rondom hen zit vol nieuwigheden - ook gevaarlijke.
Bij zowat alle ontwikkelingsdomeinen vinden we het vanzelfsprekend dat peuters mogen oefenen. Ze mogen moeilijke woorden proberen, ook al maken ze foutjes. Ervaren hoe hun gedrag het contact met vriendjes beïnvloedt? Prima. En als er ruzie ontstaat, kom je niet meteen met oplossingen. Je zet de peuters aan het denken: hoe kan je hiermee omgaan? Kortom: peuters mogen leren met vallen en opstaan.
Althans figuurlijk. Want zodra we fysieke risico’s vermoeden, zien we vaak een andere houding. Dan nemen we - goed bedoeld - de hele situatie over. “Pas op!”, “Niet doen!”, “Ik ga je helpen.” Maar dat heeft een keerzijde. Als wij alle risico’s proberen uit te sluiten… hoe kunnen kinderen dan leren om ermee om te gaan?
…naar ‘zo veilig als nodig, zo voordelig als mogelijk’
Onderzoek toont een lange lijst van mogelijke voordelen van risicovol spelen. Daarom gaan er steeds meer stemmen op om peuters gunstige risico’s te laten nemen, afgestemd op wat ze aankunnen. De rol van jou als volwassene verschuift dan. Je zorgt voor een omgeving die ‘zo veilig als nodig’ én ‘zo voordelig als mogelijk’ is.
Als ouder of begeleider ben je een poortwachter. Jij bepaalt dagelijks waar, wanneer en vooral hoe peuters mogen spelen, en welke risico’s ze daarbij mogen nemen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.
Het klopt: kinderen lopen soms risico. Ze merken gevaren niet op of kunnen zichzelf er niet tegen beschermen. Als dat tot blijvende letsels kan leiden, moeten we ondersteunen. Maar gelukkig is het zelden waar wanneer wij volwassenen uitroepen dat iets ‘levensgevaarlijk’ is.
Al vanaf jonge leeftijd gaan kinderen actief op zoek naar risico’s. Ze zijn erdoor geboeid, ze willen ze ontdekken. Dat levert niet alleen spannende ervaringen op. Het is ook voordelig op de langere termijn. Peuters ontwikkelen en leren niet enkel ondánks de risico’s, maar ook net dankzíj die risico’s. Alleen door er actief mee in contact te komen, kunnen ze ermee leren omgaan.
Kijkers en doeners
We zagen verschillen tussen kinderen qua durf en initiatief:
- Sommige kinderen vlogen er meteen in. Ze testten alle mogelijkheden van de materialen creatief uit. We zagen kinderen stapelen, klimmen, klauteren, balanceren, glijden, springen,.... Ze zochten hun eigen grenzen op en hebben ze verlegd.
- Andere kinderen keken rond, aarzelden, of leken bevestiging te zoeken bij de onderzoeker of kinderbegeleider. Na enkele geruststellende woorden gingen ook zij meestal op ontdekking.
Kleine risico-experts in wording
De eerste resultaten van ons onderzoek zijn veelbelovend. Dit is misschien wel het meest opvallende: ouders en kinderbegeleiders scoorden de risicobeheersing van de peuters gemiddeld op 7,5 op 10. De overgrote meerderheid speelde zonder een letsel op te lopen. En als er al iets gebeurde? Maximaal een buil, en dan verder spelen.
Dat is een sterk cijfer. Het toont dat peuters - ook de motorisch minder vaardige - veel competenter zijn dan we vaak denken.
Ouders en kinderbegeleiders vertellen hoe peuters de omgeving exploreren met hun lichaam. Een kinderbegeleider vertelt over een jongen: “Hij testte eerst heel wat af met zijn eerste voet, zo van: ‘Oké, dat gaat hier weg en weer hé, dat rolt hier vooruit.’. En het verwonderde me eigenlijk nog dat hij de tweede voet erbij zette. Maar wel straf vind ik. En de tweede keer dat hij het uittestte, was wel: ‘Oké. Nog een keer met één voet.’, maar niet meer de tweede erbij. Ja, ik denk dat die wel wat onder de indruk […] was van: ‘Dat gaat hier echt vooruit en ik kan m’n balans moeilijk houden zo.’.”
De risicobereidheid van kinderen wisselt. Een kinderbegeleider over een meisje: “Ze is zeker wel bereid. Ze heeft er wel zin in. Ze probeert ook met één voet. Maar dan ziet ze van: ‘Ik ga mij er toch niet zonder risico… […] Dat gaat zo toch niet zonder risico aflopen? Dus ik schuif het maar aan de kant’.”
Motorische oefening lijkt te lonen. Een vader vertelt: “Die is zeker fysiek behendiger geworden door dat klauteren. Dat in ieder geval. […] Ik weet niet of hij de risico’s beter inschat. Maar hij is wel fysiek behendiger geworden om ze gewoon makkelijker zonder kleerscheuren door te komen.”
Soms reageren peuters schijnbaar zonder veel nadenken. Een kinderbegeleider: “Ik denk dat dat wel automatisch is, ja. Zo van, als je voelt van: ‘Ik ben een beetje uit evenwicht.’, dan zoek je automatisch iets om je aan vast te grijpen […] dat je toch wel je stabiliteit kan behouden. [...] dat doet hij wel, vind ik.”
En peuters lijken ook te begrijpen hoe ze zich best gedragen. Een moeder: “Je ziet onzekerheid, en dan stopt ze of houdt ze zich vast. Ja, ik denk dat ze ergens beseft van: ‘Oh ja, als ik dat niet doe, dan kan ik wel vallen’.”
Een vader beschreef zijn eigen “voortschrijdend inzicht”: “In het begin zei ik ‘Die heeft die alertheid nog niet.’. En nu, als ik dit allemaal zie, dan denk ik ‘Ja, eigenlijk wel hé’. Dat is eerder wél risicocompetent.’”
Die laatste quote raakt precies waar het om gaat. Als volwassenen leren we ook bij. We leren anders kijken naar wat kinderen al kunnen, in plaats van te focussen op wat ze nog niet kunnen.
5 tips om peuters ruimte te geven
Wil je een peuter meer ruimte geven om risico’s te nemen? Hier zijn vijf concrete tips die je morgen al kan toepassen.
- Geef tijd en ruimte om te oefenen. Vaardigheden groeien door herhaling. Laat het kind dezelfde klauterpartij tien keer doen. De eerste keer onzeker, de tiende keer met een brede glimlach. Die herhaling is geen tijdverlies. Het is motorische ontwikkeling in actie.
- Vertrouw op wat het kind al kan. Kijk eens bewust naar wat de peuter wél al beheerst. Hoe die zichzelf optrekt. Hoe die zelf balans vindt. Hoe die automatisch iets vastgrijpt als die wankelt. Peuters kunnen vaak meer dan wij denken. En ze voelen ons vertrouwen.
- Blijf in de buurt, maar laat het kind zo vrij mogelijk. Je kan aanwezig zijn zonder in te grijpen. Sta dichtbij. Kijk mee. Laat merken dat je er bent. Maar laat een peuter zelf bepalen hoe die balanceert, klimt of springt. Grijp alleen in als dat écht nodig is.
- Pas op met “Pas op!”. Misschien roep jij wel eens “Pas op!”. En misschien roep je dat wel vaak. Zo vaak dat peuters het niet meer horen. Het werkt beter als je goed afweegt wanneer je het doet. Merk je een accuut en groot gevaar dat een peuter volgens jou niet zelf opmerkt? Dan verbreekt jouw geroep misschien net de concentratie van het kind, waardoor je méér risico verzoorzaakt. Bespreek gevaren liever op een rustig moment: “Voel eens... dat vuur is warm, hé? Wat kan je best doen?”.
- Een buil is een leermoment Een buil, een schram, een blauwe plek. Het voelt vervelend, voor een peuter én voor jou. Maar het is ook informatie. Peuters leren: “Als ik zo spring, kan ik vallen. En dat doet pijn.” Dat is waardevolle ervarin. En die wordt nog sterker wanneer je die met het kind bespreekt.
Risicocompetentie ondersteunen: hoe dan?
Om in te schatten waar de risicocompetentie van een peuter staat, helpt het om gericht te observeren. Welke elementen van risicocompetentie zie je? Daar hopen we vanuit ons onderzoek inzichten over te delen.
Stel je voor: een peuter kruipt traag en gefocust over een omgevallen boomstam. Je merkt dat die geregeld naar de diepte en de takken kijkt (gevaarperceptie). Je schat in dat de peuter begrijpt dat die kan vallen, en dat dat pijn kan doen - want die is al eerder gevallen (risicobeoordeling). Je ziet dat de peuter plezier heeft, en weet dat natuurbeleving belangrijk is (voordelenbeoordeling). Maar je merkt ook dat de peuter moeite heeft met balans houden (risicobeheersing).
Wat doe je dan? “Pas op!” roepen heeft hier weinig zin. Dat las je al in tip 4. De peuter lijkt gevaren op te merken en bereid om risico’s aan te gaan. Is het zinvol om de peuter motorisch te ondersteunen? En wanneer en hoe dan?
Risicocompetentie geeft je richting. Het helpt je om elke individuele peuter te ondersteunen. Net op het vlak waar die peuter op dat moment ondersteuning bij nodig heeft. Niet meer, niet minder.
Meer weten?
1-2-3 MOVE! onderzoekt de (motorische) ontwikkeling en de risicocompetentie van peuters. Meer info: www.123move.be
Bron: Kleppe, R., Sandseter, E.B.H., Sando O.J., & Brussoni, M. (2024). Children’s dynamic risk management - a comprehensive approach to children’s risk willingness, risk assessment, and risk handling. 𝐼𝑛𝑡𝑒𝑟𝑛𝑎𝑡𝑖𝑜𝑛𝑎𝑙 𝐽𝑜𝑢𝑟𝑛𝑎𝑙 𝑜𝑓 𝑃𝑙𝑎𝑦, 13(4), 395-409. Link naar publicatie.
